A
- post per postduif verzonden (G.I. Joe)
- zeppelinpost
- ballonpost
- raketpost
- andere luchtpost.
- frankering en tarieven,
- gebruikte postzegels, waaronder luchtpostzegels,
- postale etiketten zoals "par avion"
- afstempeling en postale aantekeningen
- eerste vluchten en andere "bijzondere" vluchten
- rampstukken, dat wil zeggen poststukken die zijn geborgen na een vliegramp.
Een aangetekende zending of aangetekend schrijven of aangetekend stuk of aangetekende brief is een poststuk etc. waarvan de verzender een bewijs van verzending ("aantekening") krijgt van het postbedrijf.
Het postbedrijf reikt vervolgens het stuk alleen uit aan de geadresseerde als de ontvanger tekent voor ontvangst. Deze tekening voor ontvangst wordt dan door het postbedrijf in zijn eigen administratie geregistreerd.
In Nederland kost (2014, PostNL) normaal aangetekend verzenden van een zending (tot 2 kg) nu € 7,95. In België, (2014, bpost) kost het voor een gewone brief: € 0,77 + € 5,13 extra.
Wanneer echter de geadresseerde niet thuis is en de postbode geen huisgenoot bereid vindt om voor ontvangst van het stuk te tekenen, wordt het stuk twee (België) of drie (Nederland) weken op het postkantoor bewaard. Als de ontvanger het dan niet komt ophalen gaat het terug naar de afzender.
Er wordt door het postbedrijf geen kopie van de brief gemaakt, dus de inhoud staat niet vast. Er kan een andere brief verzonden zijn dan achteraf wordt beweerd, of zelfs een lege envelop. Alleen de geadresseerde en de verzenddatum staan werkelijk vast.
Normaal aangetekend verzenden
Normaal gesproken ontvangt de verzender achteraf echter géén bewijs of zijn zending wel of niet is overhandigd aan de geadresseerde. Toch kan de verzender (in Nederland en België) wel proberen te achterhalen of zijn zending is uitgereikt aan de geadresseerde. In Nederland heeft PostNL een website genaamd www.tracktrace.nl waarop de klant, met zijn genummerde verzendbewijs, via "zending volgen" kan opzoeken wat er met zijn zending is gebeurd. In België biedt de website www.bpost.be dezelfde mogelijkheid.
Vermoedelijk heeft normaal aangetekend verzenden, zonder kaart met handtekening voor ontvangst retour naar de afzender (zie hieronder), reeds enige bewijskracht in rechtsprocessen: de afzender mag er, volgens PostNL, van uitgaan dat zijn zending in ontvangst is genomen, tenzij de zending retour afzender wordt bezorgd.
Aangetekend met handtekening retour
Een uitgebreidere en iets duurdere vorm van aangetekend verzenden heet: "aangetekend met handtekening retour". Hierbij krijgt de verzender wèl, als bewijs van aflevering, achteraf een kaart met handtekening van de ontvanger thuisbezorgd, met een poststempel waarop duidelijk plaats en datum van afgifte vermeld staan.
In 2011 is TNT Post in Nederland gestopt met de dienst 'handtekening retour'. De handtekening kan tegenwoordig, mits er elektronisch is getekend, door de verzender èn de ontvanger bekeken worden via de dienst 'track & trace' op de internetsite van de TNT.
Doel
Doel van aangetekend verzenden is, dat de afzender de zekerheid kan krijgen dat het stuk is aangekomen bij de geadresseerde. Aangetekende brieven zijn dus nuttig wanneer het belangrijke post betreft waarvan de verzender zeker wil weten dat deze aankomt. Wie zich juridisch op een verklaring per brief wil beroepen zal vaak moeten aantonen dat deze brief de ontvanger heeft bereikt.
Veel rechtsstelsels hanteren immers de ontvangsttheorie: een verzonden document is dan rechtsgeldig zodra het in ontvangst is genomen. Door een getekend bewijs van ontvangst te overhandigen (in het geval van "aangetekend met handtekening retour") kan de verzender dan aantonen dat de zending in ontvangst is genomen. Wanneer de ontvanger de brief weigert, zullen de posterijen dat eveneens in hun administratie vastleggen, en, in geval van "aangetekend met handtekening retour", ook mededelen aan de verzender.
Toepassingen
Opzeggen van de huur. Hier geldt vaak een opzegtermijn. Als de huurder zijn opzegging niet aangetekend verstuurt, kan de verhuurder beweren niet op de hoogte te zijn van de opzegging en kan de huurder verplicht worden nog minstens gedurende een opzegtermijn verder te huren.
Officiële melding van problemen aan een huurwoning (bijvoorbeeld vochtproblemen). Indien dit niet gebeurt, kan de verhuurder beweren dat niet te weten, en kan de sociale huisvestingsdienst van de stad geen officiële vaststellingen maken voor de onbewoonbaarverklaring van de woning.
Opzeggen van een abonnement. Als de abonnee niet aangetekend opzegt kan het later moeilijk worden te bewijzen dat er is opgezegd en kan de abonnee verplicht worden een nieuwe abonnementsperiode te betalen.
Officiële ingebrekestelling (bijvoorbeeld van een wanbetaler). Indien de ingebrekestelling niet aangetekend wordt verzonden, kan de schuldenaar beweren nooit iets ontvangen te hebben, en kan er niet onmiddellijk een rechtszaak aangespannen worden.

Briefkaart van Deventer naar Utrecht met als vertrekstempel een kleinrondstempel Deventer van 30 november 1879, gezet tussen 5 en 6 uur N(amiddags). Alsaankomststempel een kleinrondstempel Utrecht van 1 december 1879, gezet tussen 6 en 7 uur V(oormiddags). Ten slotte zien we nog een bestellersstempel A.12. Dat was van besteller nummer 12; de A geeft aan dat de kaart is meegegaan met de eerste bestelling van die dag. Bij de tweede bestelling werd dat een B, bij de derde een C, enzovoort. De postbode kwam toen nog meerdere malen per dag langs.
Een aankomststempel is een stempel dat iemand in zijn paspoort krijgt bij aankomst in een land, maar in de filatelie wordt het woord aankomststempel gebruikt voor een stempel dat op een brief of een ander postaal document wordt gezet als deze op het postkantoor in de plaats van bestemming is aangekomen.
Achtergrond
In de loop van de 19e eeuw stapten alle postdiensten over van stempels met alleen de plaatsnaam op stempels die naast de plaatsnaam ook de datum en vaak het tijdstip van stempeling aangaven. Toen ging men naast een vertrekstempel in de plaats van verzending ook een aankomststempel zetten als het poststuk was aangekomen op het postkantoor in de plaats van bestemming. Soms werden ook doorgangsstempels gezet in plaatsen waar de post opnieuw werd gesorteerd. Dat gebeurde vaak als een brief van land A via land B naar land C ging. Dan kreeg die brief in land B een doorgangsstempel.
Al die stempels werden gezet om controle op een poststuk mogelijk te maken. Als er een klacht kwam over te late of verkeerde bestelling, kon de postdienst nagaan waar de fout lag.
Bij een brief werd het aankomststempel meestal op de achterkant geplaatst, dus niet op de kant waar het vertrekstempel zat. Bij een briefkaart of ansichtkaart kwam het aankomststempel op de adreszijde, dus juist wel op de kant waar ook het vertrekstempel zat.
Afschaffing
Bij de toename van de hoeveelheid post werd het aankomststempel steeds meer ervaren als een blok aan het been. In de eerste helft van de 20e eeuw schaften de meeste landen het aankomststempel af. In Nederland werd het aankomststempel in 1911 afgeschaft voor briefkaarten en in 1921 voor alle andere post, behalve expressestukken. In Duitsland gebeurde dat al eerder, in 1909. Het aankomststempel bleef vaak wel in gebruik voor poststukken die een speciale behandeling kregen, zoals aangetekende brieven of expressebrieven. Ook bij aangetekende brieven stapte men in de loop der jaren van het aankomststempel af; bij expressebrieven wordt het echter nog steeds geplaatst. Ook in bijzondere gevallen, zoals bij ballonpost en luchtpost die met een speciale vlucht is meegegaan, worden nog wel aankomststempels geplaatst.
Sovjet-Unie

Briefkaart van Türi, 28 juli 1982, naar Tallinn, met een aankomststempel van het stationspostkantoor van dezelfde dag. Beide plaatsen liggen in (het toen nog door de Sovjet-Unie bezette) Estland; de stempels zijn tweetalig: Russisch en Estisch.
In de Sovjet-Unie bleef de postdienst aankomststempels plaatsen tot het moment van de opheffing, eind 1991. Veel opvolgerstaten bleven daar nog jaren mee doorgaan. Ook in enkele andere landen, waaronder Roemenië, bleef de postdienst tot ver in de tweede helft van de twintigste eeuw doorgaan met het plaatsen van aankomststempels.

Aantekenstrookje van de Deutsche Post in Peking, 1901.
Een aantekenstrook is een postaal etiket dat op een poststuk wordt geplakt om aan te geven dat het aangetekend is verzonden. De Wereldpostunie heeft besloten dat een aantekenstrookje de hoofdletter "R" van het Franse woord "Lettre Recommandé" moet bevatten.
In 1945 diende in Hamburg het aantekenstrookje tevens als frankering: voor het aantekenstrookje moest 30 pfennig worden betaald en dat was precies het tarief van het aantekenen. Dit hield verband met de toen heersende papierschaarste.
Een accordeonplooi is een drukfout op een postzegel veroorzaakt door een dubbele plooi in het papier wanneer het door de drukmachine gaat. Hierdoor wordt de binnenkant van de plooi niet bedrukt. Bij het opentrekken van deze plooi ziet men het witte onbedrukte gedeelte. Deze witte vlek heeft vaak de vorm van een driehoek. Het is de bedoeling dat zo'n fout bij de nacontrole wordt gesignaleerd en als drukuitschot wordt vernietigd.

Een eerste vlucht Canada 1932

Een eerste vlucht Bahama's 1929
Luchtpostfilatelie of aerofilatelie is de tak van de filatelie die zich bezighoudt met luchtpost. Het gaat dan om poststukken die daadwerkelijk door de lucht zijn vervoerd, waaronder veel eerste vluchten.
Naast post die per vliegtuig verzonden is betreft het ook:
In de aerofilatelie worden vooral poststukken verzameld. Daarbij gaat de aandacht onder andere uit naar:
F.I.S.A. is een wereldwijde paraplu-organisatie voor aerofilatelie-verenigingen.

Een velletje DDR-zegels met andreaskruizen erop
Een andreaskruis "X" wordt bij postzegels gebruikt om een "lege zegel" in een vel postzegels op te vullen. Dit moest voorkomen dat zo'n blanco zegel zou worden gebruikt om een postzegel te vervalsen. De blanco zegel heeft immers alle eigenschappen van een echte postzegel (papier, gom, tanding) behalve de afbeelding. Ook moet het kruis misverstanden voorkomen over dat er "een postzegel te weinig" is geleverd.
Zo'n lege zegel met andreaskruis werd gebruikt om een rond bedrag te krijgen als optelsom van de frankeerwaarde van de postzegels op een vel.
Een andreaskruis werd in Nederland jarenlang gebruikt in postzegelboekjes, om een lege plek op te vullen. Zo'n lege plek ontstond bij een oneven aantal postzegels in het postzegelboekje. Zodoende kunnen postzegels uit zo'n postzegelboekje voorkomen in combinatie met een andreaskruis. Combinaties van verschillende postzegels die aan elkaar vast zitten worden gespaard, zo ook een combinatie van een postzegel met een andreaskruis(zegel).
Een antwoordnummer is een postbus waar de ontvanger de kosten voor het versturen van de zending betaalt. Hierdoor hoeft de verzender geen frankering te betalen. Vooral (grote) instanties die de verzender willen motiveren tot het sturen van brieven hebben een antwoordnummer.
Antwoordnummerstukken worden op de dag nadat PostNL ze heeft ontvangen bezorgd.
Kosten
Voor de verzender kost het sturen van een zending naar een antwoordnummer niets. Daarentegen betaalt de ontvanger wèl. Voor het hebben van een antwoordnummer betaalt de ontvanger een bedrag voor het abonnement. Per antwoordzending komt daar een bedrag bij, dat afhankelijk is van het gewicht, het contract en of er een FIM en/of KIX-code wordt gebruikt.

Arabische gom-poeder

Een boom gummi arabicum in Indonesië.
Arabische gom (gummi arabicum) is een product van bomen van het geslacht Acacia, in het bijzonder de Acacia senegal (ook wel A. arabica of A. verek) en de Acacia seyal. Arabische gom is een harsachtige gom die vrijkomt als de schors van de boom is beschadigd. Andere namen voor Arabische gom zijn acaciagom, hasbab-gom of kordofangom. De boom groeit in een gebied dat zich uitstrekt van West-Afrika tot en met het Arabisch schiereiland. Belangrijke producenten zijn Soedan, Tsjaad, Nigeria en Senegal.
Arabische gom lost langzaam op in water, en is enigszins hygroscopisch. In zuivere vorm is de gom bruin, gelig tot vrijwel doorzichtig van kleur. Als het erg droog wordt, gaat Arabische gom brokkelen, als het vochtig is, wordt hij plakkerig. Gom en hars worden regelmatig met elkaar verward. Een gom is (grotendeels) oplosbaar in water, een hars niet of maar zeer gedeeltelijk.
Samenstelling
Arabische gom bestaat voornamelijk uit polysachariden met een paar uitlopers van glycoproteïnen. De polysacharide is grotendeels opgebouwd uit de monosachariden arabinose, galactose en rhamnose. Doordat de proteïnedelen in tegenstelling tot wat gebruikelijk is hydrofoob zijn en het sacharide hydrofiel kan Arabische gom werken als emulgator. De gom is in principe eetbaar, hoewel hij verontreinigd kan zijn met micro-organismen. De Acacia senegal, met name uit de Soedanese regio's Kordofan en Darfur leveren de lichtst gekleurde en daarom meest gewilde varianten van de Arabische gom.
Winning
Van nature barst de schors van de boom van tijd tot tijd. De wond die hierdoor ontstaat wordt afgesloten door de gom en kan vervolgens na een tijdje worden afgestoken. De gom werd voornamelijk door nomaden naar de kusten van de Rode Zee, Middellandse Zee en Atlantische Oceaan gebracht. Tegenwoordig wordt de boom ten behoeve van de winning verwond door er een strook bast van af te snijden.
Toepassingen
Voordat synthetische lijmsoorten ontdekt waren, werd Arabische gom gebruikt als lijm, bijvoorbeeld voor postzegels. Ook de plakrand op enveloppen bestaat veelal uit Arabische gom.
Arabische gom wordt als medium gebruikt bij plakkaatverf (gouache). Het verhoogt de glans van de verf, die van zichzelf erg dof is. Het wordt ook gebruikt als bindmiddel bij aquarelverf, waarbij het typisch geheel door het aquarelpapier geabsorbeerd wordt, zodat er geen brosse verffilm ontstaat en de pigmentkorrels het papier direct kunnen kleuren.
Veel schrijfinktsoorten, waaronder Oost-Indische inkt bevatten traditioneel Arabische gom. Hier dient het als middel om de inkt mooi te laten vloeien, waardoor de lijnen strak op het papier komen en niet uitlopen.
Arabische gom was tot ver in de twintigste eeuw onmisbaar voor het bedrukken van textiel. De beits die de verf op de juiste plaatsen liet hechten werd met Arabische gom op de stof aangebracht. Met andere kleefstoffen was het niet mogelijk een scherpe rand te krijgen. Er werden zelfs gom-oorlogen gevoerd tussen de Fransen en de Engelsen, die probeerden om een monopoliepositie in West-Afrika te verwerven. Tegenwoordig worden andere kleefstoffen, meestal op basis van gemodificeerd zetmeel, gebruikt.
Arabische gom wordt in voedingsmiddelen als additief gebruikt, namelijk als verdikkingsmiddel, emulgator en stabilisator, bijvoorbeeld in kant-en-klare nagerechten, in dranken, in marshmallows en soortgelijk zacht snoep en in kwaliteitsdrop. Het bekende mint-snoepje Mentos en ook Tic Tac en Läkerol bevatten Arabische gom. De toepassingen lijken op die van gelatine, maar Arabische gom is ook voor vegetariërs geschikt. Het heeft E-nummer 414.
De stof wordt ook in cosmetica en in medicijnen gebruikt, bijvoorbeeld in mascara. De INCI naam is gummi arabicum. In Afrikaanse culturen wordt Arabische gom gebruikt bij maagklachten.
Een bijzondere toepassing van Arabische gom was de gomdruk in de fotografie. Een dik-vloeibaar mengsel van Arabische gom en kaliumdichromaat is gevoelig voor licht. Gemengd met pigment wordt dit mengsel op een vel papier gesmeerd en vervolgens belicht. Door de belichting veroorzaakt het kaliumdichromaat het hard worden van de gom. De zacht gebleven, onbelichte delen, kunnen vervolgens worden weggespoeld. De harde delen met daarin het pigment blijven dus achter. De afdruk is derhalve negatief ten opzichte van het opvallende licht en kan dus gebruikt worden om een negatief vanaf een glasplaat af te drukken. Omdat er verschillende pigmenten en papiersoorten gebruikt kunnen worden is de artistieke vrijheid van de fotograaf groter dan bij gewone op zilverzouten gebaseerde fotografie.
Geschiedenis
Arabische gom werd 5000 jaar geleden al als bindmiddel gebruikt door de oude Egyptenaren.
In Nederland wordt Arabische gom sinds de zeventiende eeuw gebruikt in drop. Men denkt zelfs dat het woord drop afkomstig is van de drop of druppelvorm die Arabische gom kan aannemen als het uit de beschadigde bast druipt. Tijdens de oliecrisis in 1973 ontstond er in Nederland naast een tekort aan aardolie ook een tekort aan Arabische gom. Er is overigens geen enkel verband met de oliecrisis, toevallig viel deze samen met een extreme droogte in de landen van herkomst. Fabrikanten zijn toen overgestapt op vervangers als gelatine en gemodificeerd zetmeel en (later) op xanthaangom. Alleen in traditionele drop wordt nog wel Arabische gom toegepast.
In de Verenigde Staten ging kort na de aanslag van 11 september 2001 het verhaal dat Osama bin Laden een groot aandeel van de productie van Arabische gom in Soedan in handen zou hebben, en dat men daarom producten met Arabische gom zou moeten boycotten. Voor Coca Cola is Arabische gom een onmisbaar ingrediënt. Een officieel bericht van de Amerikaanse overheid bevatte de mededeling dat Osama weliswaar een groot deel van de productie in handen heeft gehad, maar dat hij die heeft afgestoten toen hij in 1996 gedwongen werd Soedan te verlaten.
B

Aangetekende brief van Sankt Ingber t(Saarland) naar Hamburg, 18 maart 1946. Het porto van de brief is contant aan de lokettist van het postkantoor betaald. Wegens gebrek aan postzegels is als bewijs daarvan een stempeltje "Gebühr bezahlt" ("Port betaald") op de brief gezet.

Aangetekende luchtpostbrief van Haabneeme (Estland) naar Wolgast (Duitsland), 2 maart 1992. De ingedrukte Sovjetzegel is niet geldig meer. De opdruk van 1,50 roebel was voldoende voor een internationale luchtpostbrief. Het aantekenrecht ter hoogte van 3,60 roebel is contant aan het loket betaald. In plaats van postzegels te plakken (die hij vermoedelijk niet had) plaatste de lokettist een stempeltje "Postimaks tasutud - Taxe Perçue" ("Porto ontvangen" in het Ests en Frans). Daar schreef hij het betaalde bedrag en zijn paraaf bij. Estland gebruikte nog tot in 1993 de Russische roebel.

Een aangetekende brief naar Riga in Letland met het stempel van een loketfrankeermachine op het postkantoor van Tallinn in Estland, 20 februari 1992.

Een Nederlands frankeermachinestempel van een bedrijf in Panningen, 26 oktober 2005.
Baarfrankering is de frankering van een poststuk op een andere manier dan met een postzegel, doorgaans tegen contante betaling aan een loket van het postkantoor. Die "andere manier" is meestal een stempeltje met de tekst "Port betaald", maar kan ook een aantekening van de lokettist zijn. De term hangt samen met de uitdrukking "baar geld".
Baarfrankering is iets anders dan portvrijdom. Bij portvrijdom hoeft de afzender ook geen postzegels te (laten) plakken, maar nu omdat hij er recht op heeft dat zijn poststuk gratis wordt vervoerd. Bij baarfrankering moet hij wèl betalen.
Redenen om tot baarfrankering over te gaan kunnen zijn:
Het betrokken postkantoor heeft een gebrek aan postzegels.
Het betrokken postkantoor krijgt een grote partij post aangeboden.
Gebrek aan postzegels
Een gebrek aan postzegels treedt meestal alleen op onder uitzonderlijke omstandigheden, bijvoorbeeld als de aanlevering van postzegels stokt door oorlogsomstandigheden of een natuurramp. In het Duitsland van vlak na de Tweede Wereldoorlog kwamen veel baarfrankeringen voor. Toen moest de postdienst helemaal opnieuw opgebouwd worden en veel postkantoren hadden een tekort aan postzegels.
Als een land net onafhankelijk is geworden, zijn op de postkantoren ook vaak niet direct de juiste zegels beschikbaar. Bijvoorbeeld toen Estland in 1991 zijn onafhankelijkheid had hersteld, namen sommige postkantoren hun toevlucht tot baarfrankeringen, omdat hun assortiment aan postzegels niet toereikend was.
Grote partijen
Als een postkantoor een grote partij post aangeboden krijgt, is het voor de lokettist een hoop werk om op al die poststukken een postzegel te plakken, die dan ook nog gestempeld moet worden. Het is al veel minder werk om op al die poststukken een stempeltje te zetten. In Nederland is de tekst van dat stempeltje doorgaans "Port betaald". Op post naar het buitenland is de Franse taal, de taal van de Wereldpostunie, verplicht. Dan luidt de tekst "Taxe perçue" ("Porto ontvangen") of "Port pay" ("Porto betaald"). Vaak krijgt de aanbieder van zo'n grote partij post korting op de portokosten.
Het stempel "Port betaald" kan ook machinaal worden aangebracht, met een loketfrankeermachine. In Beieren was een dergelijke machine al in 1910 in gebruik.
Sinds 1965 zijn in Nederland zelfklevende loketstroken en automaatstroken beschikbaar. De grens tussen het plakken van een zelfklevende postzegel uit de automaat en baarfrankering door betaling aan het loket, waarna de lokettist een loketstrook plakt, is niet helemaal scherp. Postpakketten worden tegenwoordig aan het loket altijd van een zelfklevende "pakketstrook" voorzien, maar het staat de afzender nog steeds vrij om zelf postzegels op zijn pakket te plakken.
Ook enveloppen met de gestempelde of voorbedrukte tekst "Port betaald" kan men een vorm van baarfrankering noemen. Het is immers een grote partij post die aan het postkantoor wordt afgegeven, alleen wordt meestal pas na de verzending betaald en niet contant aan het loket.
Post die is voorzien van een afdruk van een frankeermachine ten slotte zou men ook nog baarfrankering kunnen noemen. De afzender voorziet de post van een stempel in plaats van een postzegel en rekent op gezette tijden de portokosten van zijn post met de postdienst af.
Ballonpost zijn poststukken die per luchtballon zijn vervoerd. Enerzijds gaat het om post die met een bemande luchtballon wordt vervoerd, vaak filatelische stukken. Anderzijds post die met een onbemande ballon wordt vervoerd. Het is maar afwachten waar zo'n ballon terecht komt. Dat geldt ook voor een ballonwedstrijd; meestal is het dan de bedoeling om zo ver mogelijk te komen (en daar bericht van te krijgen).
Frans-Duitse oorlog

Ballonkaart uit 1870-1871
Zeer bekend is de ballonpost tijdens het beleg van Parijs in 1870. Dat gebeurde (meestal) met bemande ballonnen, die bijna allemaal veilig zijn aangekomen, alhoewel soms postzakken alsballast moesten worden afgeworpen.
Tijdens het beleg van Metz werden onbemande ballonnen gebruikt. Waarschijnlijk is de helft van die ballonpost verloren gegaan. De vinder werd verzocht om de post aan de posterijen te overhandigen.

Briefkaart van Deventer naar Utrecht van 30 november 1879. De kaart is aangekomen in Utrecht op 1 december 1879 en daar door besteller nr. 12 met de eerste bestelling (vandaar de A) bezorgd. Dit bestellersstempeltje is bikkelvormig.

Berichtkaart van Deventer naar Nijkerk, 28 december 1912, met aankomststempel van dezelfde dag en bestellersstempeltje C.1. Het ovale stempeltje behoorde toe aan besteller nr. 1 en de kaart ging mee met de derde bestelling van die dag, vandaar de letter C.

Adreszijde van een ansichtkaart van Deventer naar Baarn, 30 oktober 1925, met machinestempel (een zogeheten rolstempel) Deventer en bestellersstempel D.15, een rechthoekig stempeltje met afgeronde hoeken. De kaart is bezorgd door besteller nr. 15 en de kaart ging mee met de vierde bestelling van die dag. Daarvoor stond de letter D.

Adreszijde van een ansichtkaart van Gross-Rominten (toen in Duitsland, nu Krasnolesje in Rusland) naar Berlijn, 23 september 1904. Het bestellersstempel van postkantoor 87 in Berlijn heeft als datum 24 september 1904.
Een bestellersstempel (ook wel postbodestempel genoemd) was een stempel dat op een poststuk geplaatst werd door de postbode voor hij aan zijn postronde begon. Als er klachten kwamen over de bezorging, wist het postkantoor wie het ter verantwoording moest roepen.
Gang van zaken in Nederland
Al in 1855 begonnen enkele grote steden in Nederland, waaronder Amsterdam, bestellersstempels te gebruiken. Iedere postbode kreeg een eigen stempel met een nummer in een cirkel, dat hij op zijn brieven zette voor hij aan zijn ronde begon.
In 1867 schreef de PTT voor dat het bestellersstempel diende te bestaan uit een vast nummer plus een letter. Het nummer gaf de postbode aan. Later kreeg hij datzelfde nummer ook op de kraag van zijn uniform. De letter stond voor de bestelronde. De post kende toen nog meerdere bestelrondes per dag. In de loop der jaren werd het aantal rondes teruggebracht tot in 1973 nog maar één postronde overbleef.
De eerste bestelronde kreeg de letter A, de tweede de letter B, de derde de letter C, enzovoort. De letters waren losse elementen die naast het vaste nummer werden ingestoken. Er zijn daardoor afdrukken van het bestellersstempel bekend waarbij de letter op zijn kop staat.
Wat de vorm betreft kent het stempel vier varianten: rechthoekig, rechthoekig met afgeronde hoeken, ovaal en bikkelvormig (ovaal met instulpingen aan twee kanten). Het stempeltje werd eerst op de achterkant van een brief of briefkaart geplaatst, maar na 1873 op de adreskant.
In 1872 werd het gebruik van het bestellersstempel dwingend voorgeschreven. Op dat moment had nog niet elk postkantoor bestellersstempels; Apeldoorn kreeg ze bijvoorbeeld pas in 1880.
Wanneer een besteller tijdens het stempelen van zijn post zag dat een postzegel ongestempeld was gebleven, zette hij zijn bestellersstempeltje op de postzegel. Vandaar dat er postzegels voorkomen met een bestellersstempel in plaats van een datumstempel. Als een poststuk onbestelbaar was, bijvoorbeeld omdat het adres incompleet was, gaf de postbode het na stempeling aan een andere postbode, die ook zijn stempel zette en keek of hij de geadresseerde kende. Daarom ziet men soms brieven of kaarten met meerdere bestellersstempels. Vaak bleef de letter in het stempel dan achterwege. Het stempel had dan de functie van "Gezien. Niet voor mij."
In 1877 werd in enkele grote steden de functie van hoofdbesteller ingevoerd. Die bewaarde de bestellersstempeltjes van alle postbodes, zocht het juiste adres op als een adres onvolledig was en stuurde stukken die echt compleet onbestelbaar waren terug naar de afzender. Zijn eigen stempel bestond uit alleen een nummer. Het wordt soms aangetroffen op "moeilijke" brieven.
Na 1915 was het gebruik van het bestellersstempel niet meer verplicht, maar sommige postkantoren bleven het gebruiken tot in 1930.
Het bestellersstempeltje in andere landen
In andere landen, bijvoorbeeld in België, Duitsland en Frankrijk, waren soortgelijke stempels in gebruik. In België werd het stempel wel facteurstempel genoemd.
Koopt heden Blue Band versch gekarnd

Blue Band-stempel uit Nijmegen, 5 september 1924.
"Koopt heden Blue Band versch gekarnd" was een reclameslogan en de tekst in een stempelvlag welke in september 1924 in 10 stempelmachines van de PTT (toen nog Post en Telegraaf of P&T) was gemonteerd op acht grote postkantoren in Nederland. In Nederland is dit de enige keer dat dit soort reclame van een particuliere onderneming in een poststempel van de PTT terecht is gekomen.
In de jaren 1920 was P&T naarstig op zoek naar nieuwe inkomstenbronnen. Zo kwam in maart 1924 een overeenkomst tot stand tussen P&T en de directie van de 'N.V. Van den Bergh's Fabrieken' in Rotterdam. Vanaf 1 september 1924 tot en met 28 februari 1925, dus gedurende een periode van 6 maanden, zou er reclame voor Blue Band gemaakt worden in een tiental stempelmachines. Hiermee was het voor die tijd hoge bedrag van fl. 21.000 gemoeid. Bovendien moest N.V. Van den Bergh zelf de kosten van het aanmaken en plaatsen van de stempels betalen. Op 31 augustus 1924 werden de eerste stempels in de machines gemonteerd, zodat het publiek vanaf 1 september de reclametekst onder ogen kreeg.
Zowel publiek, pers als boterfabrikanten kwamen in het geweer, en ook 'Anton Jurgens' Margarinefabrieken' bond de strijd aan. Belangrijkste punten van kritiek waren dat de posterijen Blue Band-reclame op post van de concurrentie plaatste en dat de woorden "versch gekarnd" de suggestie wekten dat het om boter en niet om margarine zou gaan. Zo kon het gebeuren dat de mailing van een zuivelfabriek met reclame voor "boter met rijksmerk", gefrankeerd met postzegels, door de post was afgestempeld met het Blue Band-stempel. Twee zuivelfabrieken spanden een kort geding tegen de Staat aan, dat door hen werd gewonnen en al eind september 1924 kwamen Van den Bergh's Fabrieken en de Posterijen overeen verder af te zien van het gebruik van de reclamestempels. De laatst bekende stempeldatum is 30 september 1924. In totaal is uiteindelijk maar 1/6 deel van de afgesproken som geld betaald.

Brandkastzegel Nederland
Een Brandkastzegel is een soort postzegel, die tussen 1 februari 1921 en 1 september 1923 in Nederland en in Nederlands-Indië zijn gebruikt bij zeepost.
De brandkastzegel hield verband met het gevaar destijds van zeemijnen, een overblijfsel van de Eerste Wereldoorlog. Bij een scheepsramp ging natuurlijk ook de post verloren. Uitvinder Cor van Blaaderen kwam toen met een drijvende brandkast, die boven water kwam als een mailboot zonk en een radiosignaal uitzond. De post werd dan gespaard. Om zeepost te verzenden in die brandkast moest men een aanvullende betaling doen: de brandkastzegel.
De brandkastzegels werden uitgegeven door de N.V. Mij tot Exploitatie van Van Blaaderens Drijvende Brandkasten en niet door de toenmalige PTT; het zijn dan ook geen officiële postzegels, maar voor filatelisten niet minder interessant. De meeste zegels zijn gebruikt voor zeepostverkeer tussen Nederland en Nederlands-Indië. Er zijn ook brandkastzegels gedrukt voor zeepost naar Suriname en naar Curaçao maar deze zijn nooit als zodanig gebruikt. Deze zijn middels de opruimingsuitgifte van 1927 als frankeerzegels gebruikt.
De brandkastzegels van Nederland en van Nederlands-Indië zijn opgenomen in de NVPH-catalogus. Ze zijn gestempeld en op brief veel duurder dan ongebruikt.
In 1901 werden in het postkantoor van Den Haag proeven genomen met een brandstempel. Het stempel werd boven een petroleumvlam verhit waarna de poststukken werden gestempeld. Het resultaat was dat de stempelafdruk in het papier werd geschroeid. Bij briefkaarten voldeed dit redelijk, bij brieven gebeurde het regelmatig dat behalve de postzegel ook de envelop en de inhoud verschroeide. Ook is het meermalen gebeurd dat het poststuk vlam vatte. Na een paar maanden werd de proefneming gestaakt. Het brandstempel is echter zo vaak gebruikt, dat je regelmatig postzegels of poststukken met een brandstempel in een verzameling kunt aantreffen.

Briefkaart uit 1885 van Amsterdam naar Parijs (zegelbeeld Koning Willem III)
Een briefkaart is een meestal rechthoekige kaart, in de regel van dun karton (of dik papier), die als poststuk verzonden kan worden. Een gedeelte van de briefkaart kan worden gebruikt voor het schrijven van mededelingen door de afzender aan de geadresseerde. Een Zuid-Nederlands synoniem voor briefkaart is postkaart.
Algemeenheden
Een briefkaart draagt veelal een ingedrukt zegel. Soms wordt de definitie van briefkaart zelfs beperkt tot kaarten met ingedrukt zegel. Alhoewel voor het verzenden van een briefkaart per post natuurlijk essentieel is dat de frankering is voldaan, is het geen kenmerk van de briefkaart als zodanig. Zowel vroeger als heden ten dage werd en wordt veel gebruikgemaakt van niet voorgefrankeerde briefkaarten.
Een ansichtkaart of prentbriefkaart is een briefkaart met aan één zijde een afbeelding, en overigens in veel gevallen een voorbeeld van een briefkaart die niet is voorgefrankeerd.
In de tijd dat er nog geen Internet met e-mail was en ook de telefoon nog ver van algemeen verspreid was, was de briefkaart een populair middel en betaalbaar voor het overbrengen van korte berichten. Briefkaarten worden tegenwoordig (evenals brieven en telegrafie) veel minder gebruikt wegens de beschikbaarheid van snellere, goedkope media.
Poststukken en postwaardestukken
Briefkaarten zijn poststukken. Alleen als ze uitgegeven zijn door een postadministratie en een ingedrukt zegel hebben, zijn het ook postwaardestukken.
Een voorbeeld uit Nederland:
Eerst een briefkaart, zijnde een postwaardestuk met ingedrukt zegel, verzonden vanuit Hoogezand naar Groningen. Datum afstempeling Hoogezand 19 aug. 1896. Het stempel Hoogezand is een zogenaamd grootrondstempel; het stempel is geplaatst tussen 5 en 6 uur n(amiddag). Het stempel Groningen is een kleinrondstempel, zelfde dag, tussen 7 en 8 uur namiddag.

voorzijde

achterzijde
Hieronder een briefkaart die geen postwaardestuk is, omdat deze geen ingedrukt zegel had, en dus gefrankeerd werd met een postzegel. De kaart is verzonden vanuit Zwolle naar Groningen. Datum afstempeling 17 sept. 1896. Het vertrekstempel Zwolle is een grootrondstempel. Het stuk is afgestempeld tussen 11 en 12 uur v(oormiddag). Aankomststempel Groningen: kleinrondstempel, afgestempeld tussen 4 en 5 uur n(amiddag).

voorzijde

achterzijde
De eerste briefkaarten

Heinrich von Stephan op Duitse postzegel uit 1947
In 1865 deed Heinrich von Stephan in Duitsland een voorstel voor iets dat leek op wat we nu een briefkaart noemen. Het werd beschreven als "postblad" (zonder zegelopdruk). Het voorstel werd afgewezen, omdat men vond, dat het immoreel of beledigend was om berichten zonder omslag (envelop) te verzenden. Enkele jaren later, in 1869, publiceerde Emanuel Herrmann in Oostenrijk-Hongarije in een krant een artikel, over een nieuw soort correspondentie via de post. Hij dacht aan een kaart waarop maximaal 20 woorden mochten worden vermeld, en die tegen een gereduceerd tarief verzonden zou kunnen worden. Het voorstel werd al in hetzelfde jaar gerealiseerd. Op 1 oktober 1869 werd op de postkantoren de eerste briefkaart, de "Correspondenz-Karte" aangeboden. De beperking tot 20 woorden was weggevallen. De gehele achterzijde van de 12 x 8,5 cm grote kaart mocht beschreven worden. Er was een geel zegel ingedrukt van 2 Kreuzer.
In het Noord-Duitse postdistrikt (Norddeutscher Postbezirk; het postgebied van de Noord-Duitse Bond) werden per 1 juli 1870 ook briefkaarten toegestaan. Deze hadden een formaat van 16,5 x 11 cm en moesten nog met een postzegel worden gefrankeerd.
De eerste briefkaarten in Nederland
In Nederland verscheen de eerste briefkaart op 1 januari 1871. De invoering verliep tamelijk snel. In het ontwerp tot wijziging van de postwet 1850, dat op 13 februari 1870 bij de Tweede Kamer werd ingediend, was nog geen sprake van briefkaarten. In de Tweede Kamer werd er ook niet over gesproken. Maar de Commissie van Rapporteurs voegde eigenhandig aan het Voorlopig Verslag (vastgesteld op 30 april) een passage toe waarin de aandacht gevraagd wordt voor de wijziging die in BelgiË in de wetgeving was voorgesteld m.b.t. de zogenaamde "cartes-correspondance". De toenmalige minister van finantieën, Mr. P.P. van Bosse, nam in mei in zijn memorie van antwoord en het gewijzigde wetsvoorstel de suggestie van de rapporteurs over. Hij gaf als toelichting nog een aantal bijzonderheden. De postdienst zou de kaarten gaan uitgeven. Ze zouden van dik papier zijn en aan de voorzijde plaats bieden aan het adres van de ontvanger en aan de achterzijde open zijn voor mededelingen van de verzender. Het port werd vastgesteld op 2 ½ cent. Dat was de helft van het "stuiversport" voor brieven door het gehele land. Een zegel zou op de kaart worden voorgedrukt. De minister schreef dat hij lang geaarzeld had om de kaarten in te voeren. Vooral het verlies aan inkomsten zat hem dwars. Om dat te compenseren besloot hij dat visitekaartjes voortaan niet meer met het (drukwerk-)tarief van 1 cent mochten worden verzonden. Een belangrijke reden om het voorstel voor de invoering van de "carte-correspondance" over te nemen werd gevormd door gunstige berichten uit Duitsland. Daar waren briefkaarten een half jaar eerder ingevoerd. De minister was meegedeeld dat er daar in 10 à 12 dagen tijds post werd verzonden naar het front. Dit was ten tijde van de Frans-Duitse oorlog, waardoor veel naar en door de soldaten werd geschreven. Er zouden al meer dan 1 millioen verkocht zijn, zodat de bruto-opbrengst van de Posterijen na de aanvankelijke daling tengevolge van het hogere port, al snel weer gelijk zou zijn.
De Tweede Kamer ging na enige discussie akkoord. Tijdens de beraadslagingen werd ook de naam van het nieuwe poststuk vastgesteld: het zou in Nederland "briefkaart" gaan heten, en op 1 januari 1871 worden ingevoerd.
Inmiddels waren bij drukkerij Joh. Enschedé en Zonen in Haarlem de eerste proeven van briefkaarten gemaakt en kon begonnen worden met het drukken van de eerste twee miljoen briefkaarten.
De briefkaart werd een groot succes. Binnen enkele dagen waren alle kaarten uit het magazijn aan de postkantoren afgeleverd en moesten nieuwe bestellingen worden geplaatst. In het eerste kwartaal werden ruim 1,4 miljoen stuks verkocht.
Op de voorzijde van de eerste briefkaart was een soort gebruiksaanwijzing gedrukt, om het publiek te informeren over het nieuwe "medium". De letterlijke tekst daarvan luidde:
Nota. Aan deze zijde het adres en aan de tegenzijde het berigt, al of niet ondertekend, te plaatsen. Voor het schrijven van adres en berigt kan van inkt, potlood of anderszins worden gebruik gemaakt. Het drukken van een en ander op deze formulieren is mede toegelaten. Duidelijkheid en naauwkeurigheid van het adres worden zeer bijzonder aanbevolen.
Op deze tekst is zeer veel (taalkundige) kritiek gekomen. Dat begon al bij het woord tegenzijde. Dat betekent naastliggende zijde en niet de andere kant, zoals men bedoelde. Maar de meeste hilariteit verwekte anderszins. Als bijwoord past het niet in de rij van zelfstandige naamwoorden. Er verschenen ingezonden brieven, waarin mensen hun briefkaarten niet met inkt of met potlood wilden beschrijven, maar met anderszins... De posterijen wachtten anderhalf jaar en kwamen toen met een nieuwe briefkaart, waarop geen Nota meer te vinden was.
In 1872 (waarschijnlijk op 20 april) verscheen de eerste briefkaart met betaald antwoord. Men kon daarmee een dubbele briefkaart verzenden: op de ene kon men zijn boodschap kwijt, met de andere, aangehechte kaart, kon de ontvanger (gratis) antwoorden. Afgezien van het feit dat het twee "links samenhangende" briefkaarten betrof, was de uitvoering grotendeels gelijk aan de eerste briefkaart. Alleen de drukkleur week af: donkerviolet in plaats van lila.
In juni 1872 verscheen dan de tweede "gewone" briefkaart (G 3, volgens de nummering van de hieronder besproken 'Geuzendam-catalogus'), zonder "Nota", en met 4 adreslijnen. In 1873 werd de oude briefkaart nog een keer herdrukt (G 4).
In 1873 verscheen een briefkaart, speciaal bedoeld voor verzending naar België, met een voorgedrukt zegel van 5 cent.
In 1877 verdween de rand van de briefkaart. In plaats daarvan werd linksboven het Nederlandse wapen geplaatst, vermoedelijk in navolging van andere West-Europese landen.
Belgische postbriefkaarten
In België werden twee voorgefrankeerde types gangbaar, algemeen gekend naar de kleur, waarvan de gele veel couranter was dan de witte, en onder meer het standaard-medium was om deel te nemen aan allerlei wedstrijden per correspondentie, ongeveer zoals nu gebeld moet worden naar (vaak ook qua tarief) speciale nummers.
Briefkaarten als verzamelobject


In de loop der tijden zijn een groot aantal verschillende briefkaarten verschenen. De 'Geuzendam-catalogus' van 2008 onderscheidt in totaal 407 soorten voor Nederland.
Nadat verschillende landen waren overgegaan tot het uitgeven van briefkaarten, meer in het algemeen postwaardestukken, werden deze ook door postzegelverzamelaars ontdekt. Aanvankelijk werden vaak de waardestempels, die vaak hetzelfde uiterlijk hadden als postzegels, uitgeknipt en in een album geplakt. Tegenwoordig verzamelt men bij voorkeur het gehele postwaardestuk. De Duitse naam Ganzsache (compleet stuk) en de Franse term entiers-postaux (gehele poststukken) geven dit duidelijk weer. Het terrein van de postwaardestukken vormt tegenwoordig een klein, maar door specialisten gewaardeerd verzamelgebied. In Nederland doet de gespecialiseerde vereniging "Po&Po" (voluit: Nederlandse Vereniging van Poststukken- en Poststempelverzamelaars) veel onderzoek naar briefkaarten en andere postwaardestukken. De vereniging treedt bijvoorbeeld op als uitgever van de 'Geuzendam-catalogus', waarin alle postwaardestukken van Nederland en de Overzeese Rijksdelen opgenomen zijn. Ook wordt op de website van Po&Po bijgehouden hoeveel "eerstedagbriefkaarten" van de eerste briefkaart van Nederland (verzonden op 1 januari 1871) er bekend zijn.
Hiernaast is zo'n eerstedagbriefkaart afgebeeld, verzonden op 1 januari 1871 van Middelburg naar Zwolle. Het aankomststempel (op de achterzijde) vermeldt 3 januari. Die achterzijde verklapt ook waarom het zo lang duurde voordat de kaart arriveerde: "... als de vaart open is". Deze eerstedagbriefkaart was het vijfendertigste exemplaar dat bekend werd. Hij werd gevonden door René Hillesum in december 2008.
Deze bijzondere briefkaarten worden geveild voor prijzen in de orde van grootte van € 680 (exclusief opgeld).
De 'Geuzendam-catalogus'
Briefkaarten en andere postwaardestukken werden in Nederland voor het eerst uitgebreid gecatalogiseerd door Albert Willem ten Geuzendam(1925 - 1997). Ten Geuzendam was postzegelhandelaar in Den Haag, en verzamelaar van poststukken en postwaardestukken. In 1961 verscheen van zijn hand de Catalogus van Postwaardestukken van Nederland en Overzeese Rijksdelen. In 1997 verscheen de zevende editie. In 2008 beleefde de catalogus, die nog altijd de 'Geuzendam-catalogus' wordt genoemd, zijn achtste editie. Deze editie werd geredigeerd door B. Hellebrekers, J. van den Berg en M.T. Bulterman. De achtste editie telde 352 pagina's.

Briefkaart met betaald antwoord (de antwoordkaart zit achter de getoonde briefkaart)
Een briefkaart met betaald antwoord was een dubbele briefkaart opgevouwen tot het formaat van een enkele briefkaart. Achter de eerste briefkaart zat dan een tweede briefkaart, eveneens met zegelbeeld, die door de ontvanger kon worden gebruikt om een antwoord terug te zenden.
In Nederland is de briefkaart met betaald antwoord in 1871 ingevoerd. In het internationaal postverkeer is het iets later ingevoerd (Wereldpostunie). Met ingang van 1 juli 1971 is de briefkaart met betaald antwoord in het internationaal postverkeer afgeschaft. In Nederland werden op datzelfde moment de briefkaarten met betaald antwoord in het binnenlands postverkeer afgeschaft.
In een verzameling postwaardestukken kunnen onder andere de volgende items met betrekking tot een dubbele briefkaart zijn opgenomen:
een ongebruikte dubbele briefkaart,
een dubbele briefkaart waarvan alleen de eerste helft is beschreven en afgestempeld, maar wèl nog aan elkaar verbonden,
beide helften beschreven en afgestempeld, maar wèl nog met elkaar verbonden,
de vraagkaart beschreven en afgestempeld,
de antwoordkaart beschreven en afgestempeld,
een dubbele briefkaart, heen en weer gebruikt, waarvan -volgens de regels- de antwoordkaart werd bijgefrankeerd tot het briefport tarief,
een dubbele briefkaart, heen en weer gebruikt, zonder bijfrankering tot het briefport, met port belast.

Een Nederlandse briefkaart, afgestempeld in Duitsland. Antwoorddeel van een briefkaart met betaald antwoord, verzonden van Düsseldorf naar Helmond op 8 juni 1896.
In het internationaal postverkeer was de dubbele briefkaart herkenbaar aan de Franse tekst. De antwoordbriefkaart werd dan in een ander land afgestempeld dan het land dat is vermeld op de zegelindruk. Ook was aanvullende frankering voor extra diensten, zoals aantekenen of luchtpost, toegestaan. Dat gaf dan een interessante mengfrankering.
Met ingang van 1 oktober 1907 mocht de antwoordkaart in het internationaal postverkeer niet meer worden verzonden met aanhangende gebruikte vraagkaart.
Een briefstuk is in de filatelie een uitknipsel uit een poststuk, waarbij de postzegel mèt de afstempeling is uitgeknipt. Het kan hierbij ook gaan om meerdere postzegels met een afstempeling. Als de afstempeling ècht interessant is, dan is het beter om het gehele poststuk te bewaren, maar vaak is dat een gepasseerd station.

Bundels postzegels uit India

Bundels postzegels uit Duitsland en Oostenrijk
In de postzegelhandel bestaat bundelwaar uit zeer goedkope postzegels welke worden verhandeld in bundels van 100 exemplaren met een wollen draad eromheen gewikkeld.
Deze postzegels worden gebruikt voor het samenstellen van pakketten, bekend van de advertenties, zoals 100, 200, 500 verschillende postzegels van een bepaald land of van een bepaald thema.
De waarde van deze bundels staat los van de prijsnotering in catalogi; een catalogus heeft vaak een minimum prijsnotering. Toch zijn er verschillen in de prijs van bundels. De meest gangbare zegels uit langlopende series hebben heel weinig waarde. Bundels met gelegenheidszegels zijn duurder.
C
- Absolute zeldzaamheid van het postzegelitem. Hoe kleiner de verkochte oplage, hoe hoger de prijs.
- Relatieve zeldzaamheid van het postzegelitem. Naarmate de tijd verstrijkt neemt de schaarste toe doordat postzegels verloren gaan.
- Vraag & aanbod. Naar sommige postzegelitems is meer vraag dan naar andere waardoor de prijs stijgt. Getalsmatig even zeldzame zegels kunnen zo verschillende prijsnoteringen krijgen.
- Albanië
- Andorra
- Azerbeidzjan
- België
- Bosnië en Herzegovina
- Bulgarije
- Cyprus
- Denemarken
- Duitsland
- Estland
- Finland
- Frankrijk
- Georgië
- Griekenland
- Groot-Brittannië
- Hongarije
- Ierland
- IJsland
- Italië
- Kroatië
- Letland
- Liechtenstein
- Litouwen
- Luxemburg
- Macedonië
- Malta
- Moldavië
- Monaco
- Montenegro
- Nederland
- Noorwegen
- Oekraïne
- Oostenrijk
- Polen
- Portugal
- Roemenië
- Rusland
- San Marino
- Servië
- Slowakije
- Slovenië
- Spanje
- Tsjechië
- Turkije
- Vaticaanstad
- Wit-Rusland
- Zweden
- Zwitserland
- Zegels met een semi-postale functie, bestemd voor alternatieve vormen van postvervoer, zoals stadspostdiensten, scheepszegels, hotelzegels.
- Ook stakingszegels, gebruikt voor alternatief postvervoer tijdens een poststaking.
- Dergelijke zegels van zogenaamde stadspostdiensten die hun geld verdienden met de uitgifte van (stadspost)zegels zonder ooit een post te vervoeren.
- Zegels bestemd om op een brief te plakken maar zonder frankeerfunctie. Bijvoorbeeld sluitzegels. In Nederland bekend van de Tuberculosebestrijding.
- Zegels die door de staat zijn uitgegeven, maar voor een ander doel dan het verzenden van post. Bijvoorbeeld fiscale zegels.
- Nog meer zegels die niets te maken hebben met postvervoer: verzekeringszegels, spaarzegels, enz.
- Sluitzegels.
- Fantasiezegels van niet-bestaande landen. Bijvoorbeeld de tweede druk van de zogenaamde postzegels van het vorstendom Sedang, ergens in Indochinagelegen, welke koning Marie I in 1889 in Parijs bij liet drukken.
- Fantasiezegels die door kunstenaars zijn gemaakt.
- Vervalsingen ten nadele van het postwezen.
- Vervalsingen ten nadele van de filatelist.
- Spionagevervalsingen, bijvoorbeeld de 1½ cent uit 1935 (NVPH nr. 172) die geheime agenten meekregen als ze boven Nederland werden gedropt.
- Oorlogsvervalsingen in de Eerste en Tweede Wereldoorlog door de tegenpartij vervaardigd voor doeleinden van propaganda.
- Facsimiles van postzegels, maar op de een of andere manier duidelijk herkenbaar als niet-echt.
- Zegels die als postzegel zijn ontworpen en gedrukt, maar nooit tot uitgifte zijn gekomen. Bijvoorbeeld omdat op het laatste moment een cruciale fout wordt ontdekt.
- Proeven. Denk in Nederland aan de kleurproeven van de eerste emissies. Deze proeven zijn opgenomen in de NVPH-catalogus.
Een "catalogus" (Latijn: (vierde declinatie): catalogus, meervoud ook catalogus, Nederlands: meervoud catalogi of catalogussen) is het geheel van titelbeschrijvingen die verwijzen naar de collectie. Het woord stamt via het Latijn af van de titel van een gedicht van de Oud-Griekse dichter Hesiodus, de Catalogus van vrouwen.
In de filatelie is de cataloguswaarde van een postzegel, van een postwaardestuk enz. de notering van de waarde van het item in een postzegelcatalogus. Voor de meeste items zijn verschillende prijsnoteringen opgenomen, voor zowel postfris, ongebruikt als gestempeld. In Nederland is de NVPH-catalogus de meest gebruikte postzegelcatalogus om de prijsnotering op te zoeken.
Handelswaarde
In de handel in postzegels is de cataloguswaarde een belangrijke richtlijn. Zo spreekt men over de cataloguswaarde van een postzegel, van een serie, van een veilingkavel, van een verzameling, enz. De vermelde cataloguswaarde ligt doorgaans ruim (orde grootte 25-75%) hoger dan de werkelijke handelswaarde van de postzegel. De marge tussen de cataloguswaarde en de handelswaarde varieert sterk. In het algemeen hanteert een postzegelhandel hogere marges dan op postzegelbeurzen of in het particuliere circuit gebruikelijk is. De feitelijke handelsprijs is echter ook nog afhankelijk van allerlei specifieke (kwaliteits)kenmerken van de postzegel zoals: kleur, tanding, gom, type, variëteiten, afstempeling etc. De verkoop van een verzameling postzegels levert beduidend minder op dan de totale cataloguswaarde van de afzonderlijke items.
Prijsnotering
Voor de prijsnotering van een item wordt door de redacteurs van de catalogus een inschatting gemaakt op basis van een aantal uitgangspunten, zoals bijvoorbeeld:
Vanzelfsprekend is niet van elk item in de catalogus al deze informatie bekend. Daarom is een groot aantal prijsnoteringen volgens een vaste verhouding tussen de nominale waarde omgerekend. Dit is vooral bij moderne postzegels het geval.

James Chalmers (Arbroath (Angus), 2 februari 1782 - Dundee, 26 mei 1853) was een Schots uitvinder die de
zelfplakkende postzegel en het uniforme posttarief introduceerde.
Hij volgde een opleiding als wever toen hij in 1809 op advies van zijn broer naar Dundee verhuisde. Hij nam een baan aan als boekverkoper, vervolgens als drukker en uiteindelijk werd hij in 1822 uitgever van de krant "The Caledonian". Later diende hij als gemeenteraadslid en werd hij secretaris van de "Nine Incorporated Trades".
In deze hoedanigheid moest hij herhaaldelijk vechten voor tegengestelde belangen, enerzijds de zaak van stadsontwikkeling en anderzijds voor afschaffing van belasting op kranten en krantenadvertenties en de heffing van accijns op papier.
De meeste energie stopte hij in de hervorming van de posterijen en vanaf 1825 spoorde hij de autoriteiten aan om de post tussen Edinburgh en Londen te verbeteren. Hij kon hen ervan overtuigen dat dit zonder extra kosten kon worden bereikt. Na verloop van jaren kon hij een tijdwinst van bijna een dag in beide richtingen bewerkstelligen.
In december 1837, stuurde hij zijn uitgewerkte voorstellen naar Robert Wallace, een parlementslid voor het Schotse Greenock. Verder deed hij een voorstel voor een test met een gegomde postzegel van een en twee pence en een stempelapparaat dat op 8 februari 1838 werd gepresenteerd. Het gebruik van een enveloppe voor brieven werd door hem ontraden omdat volgens zijn systeem elk extra blad tot een hoger tarief leidde. In plaats hiervan stelde hij voor om de brief te sluiten door deze te vouwen en met een sluitstrip of postzegel dicht te plakken.
De invoering van zijn plannen betekende de voorloper van de zogenaamde "Penny Post" in 1840 en tevens een blijk van waardering voor de voormalige drukker voor zijn uitvinding van de postzegel.

CEPT-Europazegel van Duitsland(1969).

CEPT-postzegel van Færøerne(1984).

CEPT-postzegel van Færøerne (1985).
CEPT staat voor Conférence européenne des administrations des postes et télécommunications. Deze organisatie werd op26 juni 1959 opgericht om voor coördinatie tussen de afzonderlijke posterijen en telecommunicatiemaatschappijen in Europa te zorgen. De CEPT vertegenwoordigt de Europese landen in de Wereldpostunie (UPU). Vanuit de CEPT zijn andere, meer specialistische organisaties opgericht, zoals het Europees Telecommunicatie en Standaardisatie Instituut (ETSI) in 1988. In 2011 waren organisaties uit 48 landen bij de CEPT aangesloten. Van 1960 tot 1992 coördineerde CEPT de uitgave van de Europazegels.
De term omvat een enorme spectrum aan mogelijkheden.
Zij worden meestal uitgegeven door privé-ondernemingen of organisaties om hun bedrijf, of vereniging of iets dergelijks aan te prijzen. Het ontwerp van cinderella's lijkt in het algemeen zeer op die van "echte" postzegels maar zonder officiële landsaanduiding en meestal zonder waardeaanduiding.
Cinderella's worden ook verzameld, zelfs door filatelisten. De waardering door filatelisten hangt af van de omstandigheden. Cinderella's op een brief die echt heeft gelopen worden vaak wel gewaardeerd.
D

Postkaart met afstempeling uit 1901 van Daguin machine

Afstempeling met tekstvlag uit 1926 van Daguin machine
De Daguin machine werd in juni 1884 in gebruik genomen. Het was de eerste stempelmachine die door de Franse posterijen in gebruik werd genomen. Het apparaat, dat werd ontworpen door Eugène Daguin (1849-1888), kon 3000 enveloppen per uur afstempelen.
Rond 1900 kwamen er efficiëntere stempelmachines, maar rond 1920 werd de Daguin opnieuw in gebruik genomen. In de jaren zestig werd aangekondigd dat de Daguin buiten gebruik zou worden gesteld; pas in de jaren zeventig verdween het allerlaatste exemplaar.
De Daguin machine plaatste twee datumstempels naast elkaar met een afstand van precies 28 mm tussen het centrum van beide stempelafdrukken. De ene diende voor de vernietiging van de postzegel; de andere voor een duidelijk afleesbare datum. In de jaren twintig werd een datumstempel vervangen door een tekstvlag met informatie of reclame.
In de jaren vijftig werd de Daguin machine ontdekt door filatelisten. Nu is het een omvangrijk verzamelgebied voor de Frankrijk-verzamelaar.
Uitgeverij DAVO is een uitgeverij, gevestigd in Deventer. Zij is in 1945 haar activiteiten als uitgever van landenpostzegelalbums gestart. Het bedrijf wordt geleid door Karel Berghuijs en zijn broer Toon Berghuijs. Zij hebben het bedrijf overgenomen van hun vader, Karel Berghuijs sr., die in 1989 overleed. In 2009 werd het familiebedrijf overgenomen door Albert Ploeger.
Tegenwoordig huist de vermaarde uitgeverij in een nieuw pand aan de Hunneperkade op het industrieterrein in Deventer.

Een Canadese decemberzegel uit 1898
Decemberzegels of kerstzegels zijn speciale postzegels die jaarlijks in de maand december worden uitgegeven.
Nederland
De verkoop startte in Nederland in 1987 in de vorm van een boekje en daarna telkens als een velletje. Deze postzegels zijn niet los te koop. In Canada werden reeds in 1898 decemberzegels uitgegeven, dit land was het eerste die hiermee begon.
Bij frankering met decemberzegels krijgt de verzender in de maand december en de eerste paar dagen van januari korting op de verzending van poststukken binnen Nederland tot 50 gram. Daarna blijven de zegels geldig na bijfrankering tot het geldende tarief. De postzegels uit de jaren 2010 en 2011, met de waardeaanduiding december blijven tot nader order gedurende december in toekomstige jaren geldig. Oudere decemberzegels hebben een prijsaanduiding en bij het gebruik ervan moet men bijfrankeren.
Tarieven
Bij de invoering in 1987 kostte een decemberzegel 0,50 gulden per stuk. Dit werd verhoogd tot 0,55 gulden in 1991 en tot 0,60 gulden in 2000. Vanwege de invoering van de Euro in 2001 kregen decemberzegels een dubbele waardeaanduiding: 60 guldencent en 27 eurocent.
| Jaren | Decemberzegeltarief |
|---|---|
| dec 1987 t/m dec 1990 | Æ’ 0,50 |
| dec 1991 t/m dec 1999 | Æ’ 0,55 |
| dec 2000 | Æ’ 0,60 |
| dec 2001 | € 0,27 / ƒ 0,60 |
| dec 2002 | € 0,27 |
| dec 2002 t/m dec 2007 | € 0,29 |
| dec 2008 t/m dec 2010 | € 0,34 |
| dec 2011 | € 0,36 |
| dec 2012 | € 0,40 |
| dec 2013 | € 0,55 |
| dec 2014 | € 0,59 |
| dec 2015 | € 0,64 |
De decemberzegels 1995 waren de eerste zelfklevende postzegels in Nederland.
Post gefrankeerd met decemberzegels valt onder de 72-uurs bezorging, dat betekent dat de bezorging in principe binnen 3 dagen geschiedt
E
F

Frans fiscaalzegel uit 1886 met penvernietiging
Een fiscale (plak)zegel was een zegel die in België was voorgeschreven voor de inning van zegelrechten of als betalingswijze van de retributie. De eerste fiscale zegels werden in 1857 ingevoerd door het invoeren van het Wetboek der zegelrechten.
In 2004 werden meer dan 10 miljoen fiscale zegels uitgebracht, maar de fiscale zegels raakten als betaalmiddel in onbruik. Reden hiervoor was de administratieve rompslomp die ze met zich meebrachten, aangezien men naar het postkantoor moest gaan om ze aan te schaffen.
De fiscale zegel werd vanaf 1 januari 2007 finaal als betaalmiddel afgeschaft en vervangen door een betaling via overschrijving of op elektronische wijze. Resterende fiscale zegels verloren hun waarde op 1 januari 2009.
Bedrukking
Vanaf 1 januari 2002 waren nog uitsluitend fiscale zegels in euro, met een afbeelding van Copernicus en een klimmende leeuw, geldig.
De fiscale zegels in Belgische frank droegen ofwel een mannenhoofd met kaproen en een naar heraldieke wijze verbeelde leeuw (20 frank), ofwel een afbeelding van keizer Karel V en een liggende leeuw (meer dan 20 frank).
Gebruik
Hieronder een historisch overzicht van waar fiscale zegels nodig waren.
Fiscale zegels diende men te gebruiken om de taks (van 0,10 euro per affiche) op affiches groter dan 15 vierkante decimeter maar kleiner dan 1 vierkante meter te betalen. Voor affiches groter dan 1 vierkante meter bedroeg de taks 0,50 euro per vierkante meter (of breuk van vierkante meter).
Bij de inschrijving van een voertuig (om een inschrijvingsbewijs en een nummerplaat te bekomen) bij de Dienst Inschrijving van de Voertuigen (DIV), om een duplicaat van een beschadigde nummerplaat te bekomen, een tijdelijke inschrijving (transitplaat) te verlengen, een duplicaat van een verloren of beschadigd inschrijvingsbewijs te bekomen of gegevens aan te passen, diende men een vergoeding met fiscale zegels te betalen variërend van 12,50 tot 874 euro.
Om een stuurbrevet voor het besturen van een plezierboot te verkrijgen, diende men, naast het betalen van een som voor het af te leggen examen en het stuurbrevet, een fiscale zegel van 5€ te betalen.
Om het beroep van ondernemer van nationaal en internationaal goederenvervoer over de binnenwateren uit te oefenen moest men in bezit zijn van een vergunning tot toegang tot het beroep. Om deze te bekomen moest men een fiscale zegel van 5€ bij het aanvraagformulier te voegen.
Marktkramers dienden om een leurderskaart te bekomen eveneens te betalen met fiscale zegels.
Voor het uitreiken van documenten uit het bevolkingsregister of een bewijs van goed zedelijk gedrag diende men door gebruik van fiscale zegels te betalen (die op de documenten geplakt worden).
Diverse notariële akten vereisten eveneens het gebruik van fiscale zegels.
etc.
De toenmalige Belgische minister van mobiliteit Renaat Landuyt en de staatssecretaris voor administratieve vereenvoudiging Vincent Van Quickenborne hebben er via het Koninklijk Besluit van 20 juli 2005 voor gezorgd dat er vanaf 1 januari 2006 geen fiscale zegels meer nodig zijn voor de aanvraag van rijbewijzen (inclusief voorlopige en internationaal rijbewijzen), aanvraag van een leervergunning, en het verzoekschrift aan de beroepscommissie en de inschrijving voor het examen tot herstel in het recht tot sturen. De inschrijvingstaks voor nieuwe wagens verdween vanaf 1 januari 2005.
Suriname
In Suriname zijn anno 2014 plakzegels nog in gebruik. Ze zijn vereist voor verzoekschriften gericht aan de overheid, bijvoorbeeld voor het aanvragen van een verblijfsvergunning, domeingrond of rechtspersoonlijkheid, of doktersverklaringen.
Ter controle van bankbiljetten en postzegels (fosfor). Er zijn 2 typen uv-lampen: de lange golf en de korte golf lamp.
De lange golf uv-lamp is uitstekend geschikt voor de controle van bankbiljetten op echtheid. Bij de postzegels is het de manier om de zegels te controleren op fosfor of fluor verschillen. De lange golf uv-lamp is geschikt voor vrijwel alle landen, behalve Groot Brittannië, Israël, Joegoslavië en de U.S.A..
Voor deze 4 landen is een korte golf uv-lamp noodzakelijk.
Met de lange golf uv-lamp kunt u ook de papiersoort onderscheiden op de aanwezigheid van "witmakers". Dit is bijvoorbeeld van belang bij de vervalsing van oude eerste-dag-enveloppen. Bij de originele enveloppen was toentertijd geen sprake van witmakers, waardoor deze dus niet oplichten (oftewel dof zijn) onder de uv-lamp. Bij de vervalsingen is vaak gebruik gemaakt van nieuw papier, wel met witmakers. Deze enveloppen lichten dan helder wit op onder de lamp.
Ultraviolet licht
Ultraviolet licht kan niet waargenomen worden door het menselijk oog. Als men door het filter van de lamp kijkt zal een blauw licht waargenomen worden. Dit wordt veroorzaakt door de emissie van zichtbaar licht. De lamp is uitgerust met een speciaal filter dat het meeste van dit zichtbare licht wegneemt.
Ultraviolet energie is van een kortere golflengte dan zichtbaar licht en kan ingedeeld worden in drie groepen:
Lange golf (rond 365 nm)
Het UV licht van deze golflengte Iigt in het spectrum het dichtst bij zichtbaar licht en wordt ook wel black light genoemd. Het zorgt voor fluorescentie van ontelbare natuurlijke en kunstmatige stoffen.
Midden golf (rond 310 nm)
Het UV licht in dit gebied heeft de kortste golflengte die nog wordt aangetroffen in zonlicht. Het zal de huid verbranden (zonnebrand) en wordt gebruikt om bepaalde stoffen beter te laten fluoresceren dan mogelijk is met korte of lange golf UV.
Korte golf (rond 254 nm)
UV licht van deze golflengte ligt het verst van het zichtbare deel van spectrum af, de golflengte is korter dan de golflengtes die voorkomen in zonlicht. Is voornamelijk bekend voor het laten fluoresceren van mineralen voor chemische analyses en de kiemdodende effecten.
Fosfor op postzegels
Toen het mechansche sorteren zijn intrede deed bij de posterijen werden de postzegels voorzien van een smal grafietlaagje op de gom waardoor de apparaten de zegels konden ‘herkennen’.
Sinds 1959 werden om deze reden zegels voorzien van een fosfor band waarna later steeds meer de hele zegel werd voorzien met een fosforlaag. Door UV licht op deze postzegels te schijnen lichten de zegels op waardoor het apparaat informatie kan zien zoals de locatie van de zegel zodat het kan worden afgestempeld.
Omdat er van een zegel varianten kunnen bestaan met en zonder fosforlaag is het als verzamelaar belangrijk om deze van elkaar te kunnen onderscheiden. Hier zijn UV-lampen voor op de markt, deze lampen bestaan als tafelmodel maar ook als handzame pocketlamp gevoed door batterijen.
De meeste fosforzegels kunnen worden herkend met een lange golf UV-lamp, met uitzondering van postzegels uit Groot Brittannië, Israël, Joegoslavië en de U.S.A, deze zegels zijn alleen te herkennen met een korte golf UV-lamp.
Het verschil zit het in de manier waarop de laag op de zegel is aangebracht waardoor de frequentie van het UV-licht voor deze zegels hoger moet zijn om het zichtbaar te maken.
Wanneer een zegel is voorzien van een fosforlaag dan zal het onder een UV-map oplichten met een witte gloed.
Vervalsingen van bijvoorbeeld oude poststukken kunnen ook worden herkend met een lange golf UV-lamp, doordat vroeger geen gebruik werd gemaakt van witmakers horen deze postukken niet op te lichten onder de lamp.


